Tweets

Ivm het nieuwe #aanmeldsysteem voor de #middelbareschool houden we op 24 nov. een Scholenmarkt voor ouders, met… https://t.co/KpvCXDqF7F 1 dag 10 uur ago
Een zeer eervolle 2e plaats voor Kunstschool Mh en de "kapot leuke les" ! https://t.co/xbnraA2PLM 1 week 10 uur ago
Spannend! Krijgen we met @mauritshuis voor ons project Kunstschool MH de aanmoedigingsprijs van @MinOCW vanmiddag?… https://t.co/621D6TQ7tM 1 week 14 uur ago
Vanaf maandag 13 november: #lunchen bij het #Proeflokaal, met yogales vooraf! Zie https://t.co/ZYB7IbeVD2 1 week 1 dag ago
Er is weer een #vacature bij De Mussen! https://t.co/qB92HfzxeW #vacature #werk #nieuwebaan #participatie #solliciteren 1 week 3 dagen ago

Geschiedenis

Al bijna een eeuw speelt De Mussen een belangrijke rol in de Haagse Schilderswijk.

In 1926 stichtte Mr. De Bruin Clubhuis De Mussen. Naar sociaal democratisch gedachtegoed probeerde hij met zijn werk de kansarme jeugd in de Schilderswijk te ‘verheffen’ . Met steun van de Haagse gegoede  Burgerij probeerde hij om kinderen uit de Schilderswijk een betere toekomst te geven. Vandaar de naam van De Mussen: de vogels die leven van de kruimels van de grote vogels. In het bulletin ‘de Mussenvriend’ informeerde Mr. de Bruin zijn financiers over zijn werkzaamheden en het wel en wee in het Clubhuis.

Clubhuis De Mussen was in die jaren niet het enige initiatief daartoe:  ook in Rotterdam en Amsterdam bestonden  al eerder zogenaamde volkshuizen, waar de hogere klassen probeerden om het volk te verheffen. Wel vormde De Mussen het eerste succesvolle initiatief. En dat was te danken aan de gedrevenheid en het doorzettingsvermogen van Mr. De Bruin. Na aanvankelijk jaren te zijn geïntimideerd, getreiterd en zelfs fysiek te zijn mishandeld, lukte het Mr. De Bruin om het vertrouwen te winnen van de bevolking van de Schilderswijk en werd het clubhuis een plek waar Mr. De Bruin en zijn helpers het beste in de kinderen naar boven probeerden te halen. 

De vele duizenden arbeiderskinderen die vanaf de jaren twintig in De Mussen kwamen leerden er een vak en  kwamen in aanraking met cultuur en natuur. Zo leerden de kinderen metaal bewerken, metselen en timmeren maar ook instrumenten bespelen. De Mussen had de beschikking over een danszaal en een bibliotheek. Elke zomer bracht het Rode Kruis met vrachtauto’s honderden Haagse bleekneusjes uit de Schilderswijk naar Otterlo, waar Mr. De Bruin een kampeerterrein had gekocht: Het Mussennest.  Door het werk van Mr. De Bruin in De Mussen verbreedden de kinderen uit de Schilderswijk  hun perspectief,  leerden ze zich te gedragen en ontwikkelden bovenal zelfvertrouwen.

De aanpak van Mr. De Bruin, die een ’systeemloos systeem’ voorstond -de kinderen mochten voor alles zichzelf zijn- viel met recht revolutionair te noemen. In clubhuis De Mussen was geen sprake van dedain voor het volk –integendeel-  de kinderen van De Mussen werden gezien als in de kern goed en gezond. Ze zouden enkel verpest zijn door hun uitzichtloze bestaan.

Vanaf de jaren veertig was er internationale belangstelling voor het werk van Mr. De Bruin en ontving De Mussen bezoekers uit vele delen van de wereld, waaronder India, Turkije, Israël, Brazilië, Engeland, Scandinavië, Duitsland en Amerika. Als kroon op zijn werk ontving Mr. De Bruin in 1964 als eerste en enige Nederlander de internationale Albert Schweitzerprijs, vanwege zijn voortdurende inzet voor de misdeelde jeugd. Naast deze prestigieuze prijs werd  Meester de Bruin ook geridderd in de Orde van Oranje Nassau en werd hij ereburger ven de gemeente Den Haag.

De impact van zijn werk was groot: generaties kinderen in de Schilderswijk zijn gevormd door het werk van Mr. de Bruin. Veel kinderen van weleer, verenigd in de JOM (Jonge Ongehuwde Mussen, maar  inmiddels in de herfst van hun leven) , bezoeken De Mussen en het Mussennest nog steeds. Hun verhalen over Mr. de Bruin en de betekenis die hij heeft gehad in hun leven zijn bijzonder en ontroerend

Na veertig jaar werkzaam te zijn geweest in de Schilderswijk is Mr. de Bruin met pensioen gegaan. Zijn gedachtegoed vormt nog steeds een leidraad  in het werk van De  Mussen.
Het aanzien en de bevolkingsamenstelling van de wijk is veranderd, maar nog steeds streeft De Mussen er naar om kinderen en jongeren in de Schilderswijk kansen  te bieden om zich te ontwikkelen.

Foto's uit de begintijd van De Mussen kunt u hier bekijken!

Op 5 november 2011 is bij Uitgeverij De Nieuwe Haagsche het boek “Niks geteisem”  verschenen.“Niks geteisem” is hét  boek over de roerige geschiedenis van De Mussen. 

Interessant voor iedereen die om wat voor reden dan ook, een band heeft met het clubhuis! 
Tijdens kantooruren is het boek bij De Mussen te koop, voor € 19,95

"Niks geteisem"

Achtergrondinformatie bij het boek

De Mussen deed niet aan struisvogelpolitiek

Voorpublicatie van boek over de oorlogsjaren van hét clubhuis

In oktober verschijnt bij uitgeverij De Nieuwe Haagsche 'Liefde voor de Mussen', een rijk geïllustreerd boek van de hand van Diederick Klein Kranenburg over de geschiedenis van het clubhuis De Mussen. Hij kon daarbij ook putten uit de op papier gezette herinneringen van de legendarische Meester De Bruin, die De Mussen in 1926 oprichtte. In deze krant alvast een voorpublicatie, over de bewogen oorlogsjaren van het clubhuis.

In De Mussen kon de jeugd deelnemen aan allerlei activiteiten. In het oude schoolgebouw aan de Rijswijksestraat waren lokalen ingericht voor timmeren, schilderen, gymmen, toneelspelen en nog veel meer. In de loop der jaren was het Clubhuis niet alleen 's avonds opgegaan voor jongens tussen de 14 en 27 jaar, maar waren ook de jongens onder de 14 welkom, mochten er meisjes op het Clubhuis komen en waren er overdag allerlei activiteiten, zoals een kleuterklas en dagwerk voor werklozen. Drank was taboe.

Vanaf 1937 kon de jeugd in de zomer terecht op het kampeerterrein dat het Clubhuis had aangekocht in Otterlo, midden op de Veluwe. Hier vertelde Meester De Bruinover de plantenwereld, werden er lange wandeltochten georganiseerd en zong men 's avonds liederen. Voor de kinderen uit de Schilderswijk, en ook voor hun ouders, was dit ongekend: men ging nooit op vakantie, en velen kwamen zelfs nooit buiten de eigen, vertrouwde wijk. Één ding kon men niet krijgen op het Clubhuis en dat was alcohol. Het alcoholisme, dat voor zoveel problemen zorgde in de arme volkswijken, werd (en wordt) met succes geweerd uit De Mussen, en ook uit het kamp op Otterlo.

Meester De Bruin had vanaf het begin geprobeerd om de oudere jongens die op het Clubhuis kwamen klaar te stomen om zelf ook de activiteiten te begeleiden. Dit bleek bijzonder succesvol, want aan het einde van de jaren dertig was een behoorlijk deel van de leiding afkomstig uit eigen gelederen. Je zou kunnen zeggen dat De Mussen aan de vooravond van de oorlog een volwassen Clubhuis was geworden. Er kwamen dagelijks honderden jongeren, van alle leeftijden, er werden talloze mooie werkstukken gemaakt die verkocht konden worden, en in de zomer konden honderden jongeren een week op kamp naar Otterlo.

En toen kwam de oorlog. Het was onzeker of het Clubhuis open kon blijven, zeker toen De Bruin duidelijk had gemaakt zich niet voor het karretje te laten spannen van de Duitse bezetter. Hij was het niet eens met de ideeën het nationaalsocialisme, zo schreef hij in 1941 in een (openbaar!) Levensbericht, het periodiek van De Mussen:

"Ja, of wij ons werk voort mogen zetten, moeten wij afwachten. Ik houd er geen achterdeurtjes op na om te fluisteren. Iedereen kan precies te weten komen, wat ze aan mij hebben. Mijn anti-militaristische levensovertuiging is sterker dan ooit en ik kan mij niet vereenigingen met de houding van het Nationaal-Socialisme tegenover de joden, waarmede wij eeuwen hebben samengewoond. Als wij daarom met een ijsco-karretje moeten gaan loopen en 's winters sneeuw scheppen, dan betreur ik dat niet voor me zelf. Want ik ben wie ik ben. Maar wij zijn geen struisvogels, ook geen kooplui in overtuigingen. Wij willen ernstig bouwen en hard werken."

Ondanks de bovenstaande tekst mocht het Clubhuis toch open blijven. Maar dit ging niet gemakkelijk, en naarmate de oorlogsjaren verstreken werden de omstandigheden steeds moeilijker. Geweld was er altijd geweest, zeker in de Schilderswijk, en die richtte zich nu op de bezettingssfeer: "De opbouwende arbeid van ons Clubhuis werd door de oorlog niet gemakkelijker. Onze jeugd kenmerkt zich o/m/ door een sterkezucht naar sensatie en wilde romantiek. De oorlog deed menschenhaat oplaaien en onze jeugd bleef er niet vrij van: toenemende baldadigheid gaf blijk van een slappe levenshouding en een zich niet opgewassen voelen tegen de tijdsomstandigheden."

Het blijft onduidelijk tegen wie de baldadigheid zich nu precies richtte. Er werd al snel gesproken over de sterk stijgende criminaliteit in de buurt. Door gebrek, nood en verval dreigde de jeugd meer en meer af te glijden naar het pad van de misdaad. Al in 1941 was er sprake van een tekort aan voeding, maar ook gebrek aan schoeisel en kleding zodra bewoners door hun distributiebonnen heen waren. De jeugd liet zich steeds minder gelegen liggen aan de regels en wetten van de bezettende overheid. Stelen begon erbij te horen. In deze omstandigheden viel het niet mee om het clubhuis gaande te houden. Met vijf of zes medewerkers moest De Bruin elke dag opnieuw zeshonderd bezoekers in het gareel zien te houden, en dat in een clubhuis dat steeds minder te bieden had. Alleen al door de verduistering (in de avonduren) moesten vele afdelingen sluiten.Ook was er gebrek aan elektriciteit en brandstoffen, waardoor de lokalen voor ontspanning en metaalbewerking dicht moesten. Er kwamen minder bezoekers over de vloer, ook al omdat veel jongens in Duitsland te werk werden gesteld. Maar midden in de oorlog ging het nog altijd om vijfhonderd jeugdigen die hun weg naar De Mussen wisten te vinden. Ook de kunstavonden bleven voor belangstelling zorgen.

Kampen in Otterlo

Ondanks alle moeilijkheden gingen de kampen in Otterlo, die in feite pas net bestonden, ook gewoon elk jaar door. Alleen moest het vervoer nu per trein – en niet langer met de bussen van het Rode Kruis – en veel ouders waren bang dat er iets met hun kinderen zou gebeuren. Er was soms veel overredingskracht nodig om hen te laten gaan. De jongens reisden per trein naar Utrecht, stapten daar over naar Ede en werden vandaar met een boerenkar naar Otterlo gebracht. Het bleef een spannende onderneming – een groot avontuur. Dat bewijzen alleen al de vele foto's en opgeschreven verhalen. In 1942 gingen er 105 kinderen mee kamperen en ook de jaren daarna wist men de weg naar Otterlo te vinden. Niet alleen de Mussen vonden een onderkomen in het basiskamp, in de laatste oorlogwinter heeft De Bruin het terrein ook beschikbaar gesteld voor een groep onderduikers. Zij mochten er gratis verblijven, maar lieten het kamp na de oorlog in een grote chaosachter. Alle banken en bedden hadden ze verbrand en de dekens meegenomen. Zoals een lid van de oudervereniging naderhand schreef: "Een mooi zootje was de dank."

Met het vorderen van de oorlog verslechterde de levenssituatie in de buurt. De honger nam toe, de strijd om schaarse middelen laaide op. De jongens hadden bijna niets meer aan hun lijf en liepen op blote voeten over straat. Wanhoop, verbittering en onverschilligheid waren aan de orde van de dag. Tegelijkertijd wisten honderden van hen nog elke dag de weg naar het clubhuis te vinden, waar zij alleen niet altijd terecht konden. Er was simpelweg niet genoeg materiaal meer om iets te doen en ook ontbrak het aan begeleiding. Toch fungeerde De Bruin ook in die omstandigheden nog als aanjager van de jeugdgemeenschap van Mussen', een groep (hulp)leiders uit de betere buurten, die zich wilden inzetten om de morele, geestelijke en materiële nood van bewoners uit de volksbuurten te bestrijden. Zij stelden gezamenlijk een manifest op, dat na de oorlog als handleiding voor een nieuw beleid moest fungeren. Er zouden meer clubhuizen nodig zijn en de beter gesitueerden zouden de plicht moeten voelen hun steentje bij te dragen. In de donkerste dagen van de oorlog werkte Jaap de Bruin aan een beweging die moest zorgen voor een grotere solidariteit na de oorlog. Hij vond dat zakenmensen die geld hadden verdiend tijdens de bezetting, een deel van hun kapitaal verplicht moesten besteden aan stadgenoten die het slecht hadden. Hij pleitte voor speelplaatsen, maar ook voor sociale bijstand. De visionair van De Mussen zag een grote toekomst weggelegd voor zijn gemeenschap van jonge Hagenaars die de toekomst van de stad moesten helpen vormgeven.

De Mussenvriend

Het is opvallend dat De Bruin in een bericht uit december 1944 zo veel optimisme put uit een initiatief dat na de bevrijding pas echt gestalte zou krijgen. Maar dit manifest was niet de enige daad van verzet die uit het clubhuis voortkwam. In de oorlog, waarschijnlijk in 1943, mochten de Levensberichten niet langer verschijnen. Als reactie op dit verbod ontstond een illegaal vlugschrift, dat hoofdzakelijk onder de ouders werd verspreid. Dit blaadje ontwikkelde zich later tot De Mussenvriend, het naoorlogse periodiek van De Mussen. De ouders voelden zich in deze periode steeds sterker met het clubhuis verbonden en organiseerden zich zelfs in een oudervereniging, Voor De Mussen (V.D.M.). Ze begonnen met zestig mensen, die De Bruin hielpen om zijn werk te kunnen voortzetten. Zij zorgden voor de begeleiding van clubjes jongeren en kwamen zelfs bijeen voor praatgroepen. Het leek alsof er een instinctieve behoefte bij de buurtbewoners was ontstaan om op het clubhuis te zijn. De plek was uitgegroeid tot een veilige haven, een vraagbaak en een reddingsboei. Bovendien droegen het illegale werk en de financiële hulp van de oudervereniging bij aan het voortbestaan van het clubhuis.